langer thuis wonen ouderenzorg

Meeloopdag in de ouderenzorg: een reflectie op wederkerigheid en ongemak

Dit artikel is geen analyse van een woonzorgconcept, maar een persoonlijke reflectie op wat ik heb ervaren. Een meeloopdag op een woonzorglocatie maakte voor mij zichtbaar hoe groot de afstand soms nog is tussen het ideaal van zorgen mét elkaar en de dagelijkse praktijk waarin bewoners, professionals, familie en buurtbewoners hun plek zoeken.

door Karen Langevoort

De komende jaren neemt het aantal mensen dat zorg en ondersteuning nodig heeft sterk toe. Met de groeiende zorgvraag en het tekort aan zorgprofessionals is het niet langer haalbaar om alle ondersteuning door professionals te laten leveren. Vergrijzing is daarom niet alleen een zorgopgave, maar vooral een maatschappelijk vraagstuk. Nieuwe woonvormen zoals groepswonen, intergenerationeel wonen en geclusterde woonzorgconcepten sluiten hierop aan. Ouderen kunnen er langer zelfstandig wonen, de regie behouden en terugvallen op elkaar en op anderen in de wijk. Steeds vaker worden woonconcepten ontwikkeld vanuit het idee van ‘zorgzame communities’.

Met die maatschappelijke opgave in mijn achterhoofd liep ik een dag mee op een woonlocatie voor ouderen. Juist in die concrete praktijk werd voor mij zichtbaar hoe groot de veranderopgave is.

Tijdens een meeloopdag bracht ik een dag door in een woonlocatie voor ouderen die onlangs was omgevormd van een intramurale zorglocatie naar een VPT-locatie. Bewoners wonen zelfstandig in een appartement en delen per verdieping een ontmoetingsruimte.

Mij werd gevraagd te ondersteunen in de ontmoetingsruimte. Ik kletste wat met een bewoner, maakte een ommetje met iemand en hielp een meneer met zijn televisie. Een mevrouw in een rolstoel keek me continu aan, ze sprak niet en leek boos. Verschillende bewoners vroegen of ik een nieuwe zuster was. Het was duidelijk dat de bewoners zich afvroegen wat ik daar eigenlijk deed.

Een zoon bezocht zijn moeder, maar toen zij kort nadat hij wegging hulp nodig had bij het naar bed gaan, vroeg ze naar de verzorgende. Is het vanzelfsprekend dat deze taak niet voor de zoon, maar voor de verzorgende was? 

Ik heb koffie gezet, een vaatwasser uit- en weer ingeruimd, en een vuilniszak weggebracht. Af en toe kwam een verzorgende langs, pakte iets uit een kast, noteerde wat. Ik heb geholpen met verwarmen van maaltijden, klaarzetten en weer opruimen. Grote delen van de middag en avond had ik eigenlijk niks te doen. 


Terugkijkend op die dag realiseerde ik me dat mijn aanwezigheid praktisch gezien iets opleverde. Als ik er niet was geweest, had een professional een aantal taken moeten doen. In zoverre lukte het om de zorg even te ontlasten. Maar wat mij vooral bijbleef, was het ongemak. Ik voelde me primair buitenstaander en pottenkijker.

Die persoonlijke ervaring bracht mij bij een bredere vraag. Het systeem dat we met elkaar hebben opgebouwd, nodigt nog niet vanzelfsprekend uit om mee te helpen. Familie en wijkbewoners zijn niet onverschillig, maar om hen echt onderdeel te laten worden van de gemeenschap is het omklappen van intramuraal naar zelfstandig wonen en het openstellen van een ontmoetingsruimte niet voldoende. Ons zorgsysteem is nog altijd sterk ingericht op professionals die zorgen en anderen die toekijken.

Mijn conclusie na deze meeloopdag is dat wederkerigheid niet vanzelf ontstaat door een ander woonconcept of een gedeelde ruimte. Als we werkelijk geloven dat de gemeenschap een grotere rol moet spelen, dan moeten we niet alleen de zorg anders organiseren, maar ook de positie van familie, buren en vrijwilligers opnieuw definiëren. Pas als zij zich geen gast meer voelen, maar onderdeel van het geheel, kan wederkerigheid ontstaan.

Neem contact op met:

Neem dan contact op met:

Bel me terug