Zero Emission Buildings
Vanaf 2030 moeten alle nieuwe gebouwen in de Europese Unie voldoen aan de richtlijn van de ‘Zero Emission Buildings’ (ZEB). Vanaf 2028 geldt dit al voor alle overheidsgebouwen.
Vanaf 2030 moeten alle nieuwe gebouwen in de Europese Unie voldoen aan de richtlijn van de ‘Zero Emission Buildings’ (ZEB). Vanaf 2028 geldt dit al voor alle overheidsgebouwen.
22 januari 2026
ZEB wil zeggen dat een gebouw tijdens de gebruiksfase geen enkele CO2 meer mag uitstoten. De energievraag voor verwarming, koeling, ventilatie, verlichting en warmwatervoorziening moet volledig worden gedekt door hernieuwbare energie die ter plaatse of in de nabijheid wordt opgewekt. De vraag is of met de introductie van deze richtlijn de eisen voor nieuwe gebouwen niet te ver worden opgevoerd. Of gaat de richtlijn juist niet ver genoeg? We legden vier experts vier stellingen voor.
ZEB is een eisenverzwaring ten opzichte van de richtlijn dat gebouwen (bijna) energieneutraal (BENG) moeten zijn. Het kan niet anders dan dat de aanvangsinvesteringen in gebouwen hierdoor hoger worden. Dit kan een te hoge drempel vormen om te investeren in nieuwbouw. En dat kan de verduurzaming van de hele voorraad vertragen.
Van den Dobbelsteen: ‘Ik denk niet dat de ZEB-richtlijn tot veel hogere investeringen leidt dan BENG. Misschien gaan die vijf tot tien procent omhoog. Veel bouwers kennen het kunstje al om een energieneutraal gebouw neer te zetten. Iets anders is hoe je dit definieert. Een gebouw kan over een jaar energieneutraal zijn als het in de zomer veel meer energie opwekt dan het verbruikt, en in de winter omgekeerd. Om die pieken te kunnen afvlakken, zul je wel meer moeten investeren in het gebouwontwerp.’
Hensen: ‘Een eisenverzwaring heeft altijd consequenties voor de kosten, maar dat mag geen reden zijn om het dan maar te laten. Als we willen dat onze kinderen en kleinkinderen beter voorbereid zijn op de klimaatverandering, dan moeten we deze stappen zetten. Die nieuwe gebouwen staan er ook nog heel lang. Dus van die hogere investeringen heb je ook lang profijt.’
De Jonge: ‘Mijn expertise ligt in de herbestemming van gebouwen en niet in nieuwbouw. Maar in het algemeen geldt dat hier de kost voor de baat uitgaat. Op lange termijn is die extra investering zeer verstandig. Probleem is vaak wel dat de opbrengsten daarvan ten goede komen aan de gebruikers, en niet aan de ontwikkelaar die het gebouw heeft neergezet.’
Oddens: ‘Veel zal afhangen van hoe straks wordt berekend of een gebouw voldoet aan de ZEB-richtlijn. Het ziet ernaar uit dat hiervoor de NTA 8800-methodiek wordt gebruikt. Dat is een starre methodiek die stuurt op een theoretisch en gestandaardiseerd gebruik. Hierdoor zal de aanvangsinvestering inderdaad hoger zijn. Het zou passender zijn om een ZEB prestatiegericht uit te vragen, waarbij gestuurd wordt op het werkelijk energiegebruik en je marktpartijen uitdaagt om met innovaties aan de gevraagde prestatie te voldoen.
Om die pieken te kunnen afvlakken, zul je wel meer moeten investeren in het gebouwontwerp. Andy van den Dobbelsteen

Een Zero Emission Building draait volledig op elektriciteit. Gezien de huidige netcongestie is invoering in 2028/2030 onhaalbaar.
Hensen: ‘Ik ben daar niet zo pessimistisch over. De nieuw te bouwen gebouwen maken maar een heel klein deel uit van de totale voorraad. De netverzwaring voor de bestaande voorraad is een veel grotere opgave. Bovendien verwacht ik dat de opslagcapaciteit voor opgewekte energie zich de komende jaren snel zal ontwikkelen.’
De Jonge: ‘Ik ben een groot voorstander van het herbestemmen van bestaande gebouwen, ook om de druk op de nieuwbouwopgave te verlichten. Een aanzienlijk deel van de huidige woningbehoefte kan bijvoorbeeld worden opgelost in leegstaand vastgoed. Anders dan bij nieuwbouw, heb je bij herbestemming veel minder last van beperkende factoren, zoals bijvoorbeeld stikstofregels, netcongestie en lange wachttijden voor aansluitingen. Bij herbestemming is die impact kleiner, omdat een bestaand gebouw vaak al een netaansluiting heeft, ook al is die soms niet zwaar genoeg.’
Oddens: ‘Als een ZEB met zware installaties in de zomer veel energie opwekt en in de winter veel verbruikt, wordt dat een probleem. Er is echter veel te winnen door goede afspraken te maken met netbeheerders. Het net raakt voornamelijk overbelast op piekmomenten. Zowel de gebruikers als de energieleverancier zouden water bij de wijn moeten doen. De gebruiker zal minder energie moeten afnemen op de piekmomenten. De energieleverancier moet ervoor openstaan dat er dan buiten de piek wel meer energie wordt afgenomen.’
Van den Dobbelsteen: ‘Deze stelling klopt als gebouwen inderdaad volgens het huidige patroon blijven functioneren, met een overproductie van energie in de zomer en een tekort in de winter. Daarom moeten we toe naar wat ik energie-platte gebouwen noem, waarbij de energievraag niet of maar weinig verschilt per seizoen. Dan nog blijft netverzwaring onontkoombaar, en zal er op centraal niveau meer moeten worden geïnvesteerd in opslagcapaciteit.’
Juist aan de voorkant kun je met het materiaalgebruik veel duurzamere gebouwen neerzetten. Roderik Oddens

De richtlijn ZEB gaat alleen over de gebruiksfase van een nieuw gebouw, en zegt niks over de CO2emissies gedurende de bouwfase (bouwmaterialen en transport daarvan). Wel komt er vanaf 2028 c.q. 2030 een Europese verplichting om de totale CO2-uitstoot van een nieuw gebouw gedurende de hele levenscyclus (van productie tot en met sloop) te berekenen. Deze WLC-richtlijn (Whole Life Carbon) vervangt de MPG (MilieuPrestatie Gebouwen). Het is een gemiste kans dat het voor de totale uitstoot vooralsnog blijft bij een berekening, zonder grenswaarden.
De Jonge: ‘Helemaal mee eens. Maar blijf niet jaren werken aan een perfecte rekenmethode hiervoor. Start direct en haal de bouw- en transportfase er dan zo snel mogelijk bij. Anders wordt het perfecte de vijand van het goede. Ik herhaal hier mijn pleidooi om naast nieuwbouw ook sterk in te zetten op herbestemming en hergebruik. In veel gevallen kun je dan gebruik maken van de bestaande draagconstructie, fundering en gevels. Omdat daarin nu nog vaak beton wordt toegepast, zou dat al enorm in de CO2-uitstoot schelen.’
Oddens: ‘Dat is inderdaad een gemiste kans. Juist aan de voorkant kun je met het materiaalgebruik veel duurzamere gebouwen neerzetten. De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert overigens als uitgangspunt dat wij geen maatschappelijk vastgoed slopen. Tenzij het echt niet anders kan, kiezen we altijd voor renovatie, juist om daarmee de totale CO2-uitstoot van onze gebouwen te verkleinen.’
Van den Dobbelsteen: ‘Ook ik vind het een gemiste kans. Er is pas echt sprake van een emissieloos gebouw als ook de bouwmaterialen daarin worden meegenomen. Ik ben voorstander van een paspoortsysteem voor bouwmaterialen, met daarin informatie over de CO2-uitstoot tijdens de productie en het transport. En daar kunnen best al eisen aan worden gekoppeld. Als je ziet hoeveel er nu al wordt gewerkt met circulaire en biobased materialen, kan de bouwwereld dat zeker aan.’
Hensen: ‘Op zich klopt de stelling, maar we zijn nog lang niet zo ver om ook voor de productie van de bouwmaterialen en het verwerken en vervoeren daarvan grenswaardes in te voeren. We kennen de emissies van veel materialen nog niet. Ook het transport is lastig in beeld te krijgen; materialen kunnen overal vandaan komen. In het verlengde hiervan denk ik ook niet dat de overheid richtlijnen op dit gebied kan handhaven. En dan moet je die richtlijnen eigenlijk niet willen invoeren.’
Zeker voor circulariteit zou je wel aanvullende regels kunnen stellen. Jan Hensen

Hoe voorkomen we dat de richtlijn ZEB ertoe leidt dat andere doelstellingen bij nieuwbouw - circulariteit, gezondheid, flexibiliteit, gebruiksgemak, esthetiek - minder aandacht krijgen?
Oddens: ‘De gemeente 's-Hertogenbosch is hiervoor samen met het ministerie van VRO een leerlab gestart om een afwegingskader te maken waarin al deze zaken wel worden meegenomen. We praten daarin niet over duurzame, maar over toekomstbestendige gebouwen. Uitgangspunt is: houd het simpel en uitlegbaar. We moeten er in elk geval voor waken dat de regeldruk niet verder wordt opgevoerd. Dat nu zoveel methodes en richtlijnen worden bedacht, gaat de verduurzaming niet helpen. Met starre methodieken sta je innovaties in de weg.’
Van den Dobbelsteen: ‘Een aantal van deze doelstellingen worden al afgedekt in het Besluit bouwwerken leefomgeving. De ZEB-richtlijn heeft wel invloed op het ontwerp van gebouwen, zeker als je zou streven naar een continue beperking van de energievraag. Daar hoeft een gebouw echter niet lelijk van te worden. Mogelijk krijgen circulariteit en natuurinclusief bouwen wel minder aandacht. Maar de bouwwereld is daar toch al zodanig mee bezig dat die ontwikkeling wel door zal gaan.’
Hensen: ‘Ik vind dit een reëel risico, dus daar ligt wel een rol voor de overheid. Zeker voor circulariteit zou je wel aanvullende regels kunnen stellen, ook omdat dit bijdraagt aan het terugdringen van emissies. En als het gaat om gebruiksgemak en esthetiek ga ik ervan uit dat opdrachtgevers, maar ook partijen als HEVO, daar bovenop zitten.’
De Jonge: ‘Als je voor al deze zaken aanvullende richtlijnen zou stellen, heeft dat wel een nadeel. De geschiedenis leert dat nieuwe richtlijnen aanvankelijk goed werken. Na verloop van tijd werken ze echter belemmerend en staan ze innovatie in de weg. Ik ben er niet bang voor dat de ZEB-richtlijn tot lelijke gebouwen gaat leiden. Door de creativiteit van mijn vakgenoten zullen er altijd nieuwe oplossingen worden bedacht voor nieuwe omstandigheden.’
Ik ben er niet bang voor dat de ZEB-richtlijn tot lelijke gebouwen gaat leiden. Wessel de Jonge

De Europese richtlijn voor ZEB is een grote stap, maar ook een logische vervolgstap in de transitie naar een volledig klimaatneutrale gebouwde omgeving. Als we willen dat onze gebouwen bijdragen aan een leefbare toekomst, moeten we nu de moed hebben om door te pakken.
Bij HEVO zien we ZEB niet als een verplichting, maar als een kans om de kwaliteit van gebouwen verder te verbeteren. Onze ervaring met (bijna) energieneutrale huisvesting laat zien dat veel bouwpartijen de kennis en middelen al in huis hebben. Op basis van de bestaande regelgeving rondom (bijna) energieneutraal waren de oplossingsrichtingen vaak eendimensionaal; met ZEB gaat het verder en is het belangrijk om de ontwerpfasen slim te combineren op het vlak van bouwfysica, technische oplossingen en exploitatie om de doelstellingen te behalen.
De nieuwe eisen vragen om meer dan alleen technische aanpassingen. Ze vragen om een andere manier van denken over energie, ruimte en gebruik. Minder gericht op compenseren, meer op voorkomen. Door compact te ontwerpen, energieverliezen te beperken en hernieuwbare energie lokaal op te wekken, kan de energievraag drastisch omlaag.
Dat betekent ook dat de samenwerking tussen partijen belangrijker wordt. Netcongestie en seizoensverschillen in opwekking dwingen ons om eerder in het proces na te denken over energieopslag, slimme netten en adaptieve systemen. Die integrale benadering hoort bij de manier waarop HEVO werkt; van strategie tot realisatie, met data als onderlegger en duurzaamheid als uitgangspunt.
We passen onze methoden en instrumenten hierop aan. In onze huisvestingsadviezen nemen we ZEB-scenario’s ook mee, zodat opdrachtgevers direct zien wat de impact is op kosten, energie en toekomstbestendigheid. Zo wordt duurzaamheid niet iets dat ‘erbij komt’, maar de logische basis van elke beslissing.
Andy van den Dobbelsteen is hoogleraar Klimaatontwerp en Duurzaamheid, en duurzaamheidscoördinator (tot eind 2025) aan TU Delft. Hij werd in 2023 uitgeroepen tot MVO Manager van het Jaar en schreef onder meer het studieboek Zero-energy design.

Roderik Oddens is vastgoedadviseur duurzaamheid bij de gemeente ’s‑Hertogenbosch. Samen met twee collega’s ondersteunt hij de vastgoedafdeling bij de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed richting 2050. 's-Hertogenbosch heeft in een eerste verduurzamingsronde in 2016 al haar vastgoed op energielabel A gebracht, maar wil nu een stap verder zetten.

Jan Hensen is emeritus hoogleraar Gebouwprestatie aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is tevens co-hoofdredacteur van de Journal of Building Performance Simulation. Ook is hij voorzitter van de Stichting ter Bevordering van Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek Installatietechniek (WOI).

Wessel de Jonge is architect en grondlegger van WDJArchitecten in Rotterdam. Dit bureau is verantwoordelijk voor baanbrekende herbestemmingsprojecten, waaronder de herbestemming van Gevangenis Noordsingel tot wooncomplex en de revitalisatie van de Van Nellefabriek, beide in Rotterdam. Tot voor kort was hij hoogleraar Erfgoed & Ontwerp aan de TU Delft.

Dit artikel is opgenomen in ons relatiemagazine 360°, najaar 2025.