Inclusief onderwijs, waar staan we?
Vier experts aan het woord; boekje Gewoon speciaal, 2025, hoofdstuk 4.
Vier experts aan het woord; boekje Gewoon speciaal, 2025, hoofdstuk 4.
26 februari 2026
Nederland kent een uitgebreid en veelzijdig onderwijssysteem. Vrijwel iedereen gaat naar school. Maar meer dan in de meeste andere landen, is het Nederlandse onderwijssysteem ook erg gesegregeerd. Regulier onderwijs en speciaal onderwijs zijn gescheiden. Het speciaal onderwijs is verdeeld in verschillende clusters, maar ook binnen het reguliere onderwijs zijn er allerlei varianten die ervoor zorgen dat leerlingen veelal in een eigen bubbel les krijgen.
Met de werkagenda Route naar inclusief onderwijs 2035 heeft de rijksoverheid een stip aan de horizon gezet op weg naar inclusief onderwijs. Ofwel onderwijs waarbij alle kinderen naar dezelfde scholen gaan. Ook als ze een beperking hebben of moeilijk leren door bijvoorbeeld een ontwikkelingsachterstand of gedragsproblemen.
Een van de belangrijke drijfveren achter inclusief onderwijs is dat de samenleving uiteindelijk beter met onderlinge verschillen om leert gaan. Het onderwijs als afspiegeling van de totale samenleving, en niet alleen de eigen bubbel. Intussen zijn op verschillende plaatsen in het land schoolbesturen en samenwerkingsverbanden bezig dit in de praktijk vorm te geven. Hoe groot is de kans op succes? We gingen te rade bij vier experts en legden hen een aantal stellingen voor.
Dekker: ‘Nee. Inclusie wordt gedreven door het geloof dat kinderen gelijkwaardig zijn en gelijke kansen moeten krijgen. Dat iedereen deel uitmaakt van dezelfde samenleving en je met elkaar om kunt gaan. Als je inclusief onderwijs kunt realiseren, dan is dat niet duurder of goedkoper dan het afzonderlijk realiseren van speciaal onderwijs en regulier onderwijs. Je moet de budgettering alleen anders organiseren. Daarvoor moeten we door een transitiefase, en ja, zo’n transitiefase, dat is wel even duurder. Omdat er dan tijdelijk twee systemen naast elkaar functioneren. Overigens zullen bepaalde vormen van speciaal onderwijs altijd nodig blijven. Maar de uitzonderingen moeten niet het startpunt bepalen. De uitzonderingen zijn iets wat uit de praktijk zal blijken. Eerst moeten we beginnen vanuit de gedachte en overtuiging dat inclusief onderwijs dé norm wordt.’
Wienen: ‘Nee. Voor mij heeft het te maken met een diepe verontwaardiging voor het gemak waarmee we het in Nederland - als dingen niet lukken - aan de kinderen laten liggen. We sturen kinderen naar de jeugdhulp, naar het speciaal onderwijs, waardoor steeds meer kinderen denken dat het aan hen ligt dat ze niet aan de norm voldoen. Ik zal niet zeggen dat kosten geen rol spelen, maar dat is niet wat de ontwikkeling van inclusief onderwijs drijft. Ik denk ook niet dat het kostenbesparing oplevert. Wel denk ik dat we ons geld veel beter kunnen gebruiken. En ik zie inclusief onderwijs als een investering in ons allemaal, in onze samenleving. Wat dat betreft zou ik eerder aan meer budget denken, dan aan minder.’
De Bont: ‘Je kunt deze stelling op verschillende manieren zien. In het systeem zitten zeker financiële prikkels die het voor scholen in het reguliere onderwijs interessant maken om aan inclusie te doen. Maar er zijn geen financiële prikkels om, bijvoorbeeld, vmbo-kader-leerlingen en vwo-leerlingen bij elkaar te krijgen. Met andere woorden, je ziet dat financiële prikkels een bepaalde benadering oproepen bij het onderwerp inclusie, en dat het daarbij vooral gaat over de integratie van speciaal onderwijs. Maar inclusie gaat blijkbaar niet over de vraag of we 11- en 12-jarigen wel moeten scheiden in verschillende vormen van voortgezet onderwijs waarbij ze elkaar praktisch nooit meer tegenkomen. Dus ja, ik denk dat inclusie, zoals het nu besproken wordt, bepaald wordt door een kostenaspect.’
Schraven: ‘Nee. Inclusie gaat over een andere manier van denken en mensen betrekken. Inclusief onderwijs is een mensenrecht, en daar moeten we invulling aan geven. Ik begrijp wel waar de vraag vandaan komt. Als alle kinderen samen in een klas les moeten krijgen, dan zal het wel goedkoper worden, zo is de redenatie. Maar zo werkt het niet. Vanuit de inclusieve scholen die wij hebben opgericht kan ik uit ervaring vertellen dat het niet goedkoper wordt. Maar het leidt wél tot hele mooie resultaten.
Wordt het dan duurder om inclusieve scholen te bouwen? Dat hoeft niet. Er is een rapport verschenen dat in opdracht van onder andere het Ministerie van OCW, de PO-Raad en de VO-Raad is opgesteld: ‘Bouwstenen voor inclusievere scholen’. Dat rapport geeft antwoord op de vraag waaraan een inclusieve school bouwtechnisch moet voldoen. Sommige gemeenten zien in dat rapport de bevestiging dat het te duur is om een inclusieve school te bouwen. Maar als je alles op een rijtje zet, en ook afweegt wat de kosten zijn om een aparte school voor speciaal onderwijs te bouwen, dan hoeft het totale kostenplaatje zeker niet hoger te zijn.’
Dekker: ‘Het helpt zeker dat Arie Slob ooit als minister van onderwijs een punt op de horizon heeft gezet. Maar het zou nog meer helpen als er ook harde eisen worden geformuleerd. De ontwikkeling vindt momenteel vooral plaats in en vanuit platforms, samenwerkingsverbanden, raden etc. De steun van de overheid zit vooral in de stimulering van dat soort samenwerking, maar er worden geen harde meetpunten meegegeven, terwijl dat juist heel erg zou helpen.’
Wienen: ‘De agenda geeft een richting, en dat is belangrijk. Maar er is méér nodig. Er zijn hete hangijzers en knopen die moeten worden doorgehakt. Hoe gaan we bijvoorbeeld om met het speciaal onderwijs als we echt naar inclusief onderwijs willen bewegen? Durven we de beleidsuitspraak te doen dat - bijvoorbeeld vanaf komend jaar - er geen kinderen meer rechtstreeks in het speciaal onderwijs starten, maar dat ieder kind het recht heeft op een start in het inclusief onderwijs? Het gesprek over inclusie leidt naar de centrale vraag: waar is ons onderwijs eigenlijk voor? Is onderwijs bedoeld om tegemoet te komen aan allerlei individuele eisen om het maximale uit jezelf te halen? Of moet onderwijs ervoor zorgen dat we de wereld naar binnen brengen en dat we kinderen leren omgaan met die wereld, en met alle verschillen die daarbij horen? En als dat laatste het geval is, dan komen we waarschijnlijk al snel tot de conclusie dat een aantal extra leerkrachten inderdaad geen gek idee is.’
De Bont: ‘Als het gaat om leerlingen in het speciaal onderwijs, dan denk ik dat de agenda zeker ondersteunend is. De agenda bevordert bijvoorbeeld ook de samenwerkingsverbanden op dat gebied. Het ambitieniveau van de agenda, daarover moeten we realistisch zijn. Het zou echt goed zijn als er meer sturing is vanuit de overheid. Ik vind ook dat de discussie over inclusie veel breder moet worden dan nu het geval is. In het hele onderwijs plaatsen we groepen leerlingen in dezelfde bubbel en vervolgens doen we alsof iedereen hetzelfde leert. We lijken alleen in staat te differentiëren tussen groepen maar niet binnen groepen. Daar is wat mij betreft nog veel te doen.’
Schraven: ‘Met de werkagenda is er een definitie van inclusief onderwijs vastgesteld, en die geeft een mooie richting. Tegelijkertijd, als 2035 de streefdatum is voor invoering van inclusief onderwijs, dan is het heel jammer dat in die agenda geen tussentijdse piketpalen zijn geslagen. Er zit weinig dwang achter het hele proces. Zonder regulering blijven scholen huiverig voor alle obstakels. Bijvoorbeeld voor de financiering van huisvesting. Maar ze zien ook dat de Onderwijsinspectie scholen vooral beoordeelt op de leeropbrengsten. Als reguliere scholen extra leerlingen met leerproblemen moeten aannemen, dan zijn ze bang dat die leeropbrengsten omlaag gaan. Mijn advies: probeer een standaard te ontwikkelen waarin niet de leeropbrengsten centraal staan, maar de leerontwikkeling. Dan kunnen we - per leerling - in ieder geval zien dat onderwijs ertoe doet en voor iedereen iets oplevert.’

Dekker: ‘De verordening onderhuisvesting werkt voor het speciaal onderwijs, en ook voor het regulier onderwijs. Maar de verordening werkt niet voor inclusief onderwijs. Inclusief onderwijs moet niet een van de onderwijsvarianten zijn, maar gewoon de norm. Daarom zou ik ervoor pleiten dat regelgeving, beleid, inspecties en verordeningen allemaal vanuit inclusief onderwijs worden geformuleerd.’
Wienen: ‘Ik ken die verordening niet in detail, maar als het gaat over huisvesting, zie je natuurlijk de nodige implicaties bij inclusief onderwijs. Het zou mooi zijn als daar in zo’n verordening rekening mee gehouden wordt. Je kunt heel simpel het voorbeeld nemen van een rolstoelvriendelijk gebouw. Maar je kunt ook denken aan ruimte. Meer ruimte maakt alles een stuk makkelijker. Inclusief onderwijs is natuurlijk gebaat bij ruime huisvesting waarin makkelijk afgewisseld kan worden tussen onderwijs in grotere en kleinere groepen. Maar een inclusief schoolgebouw is bij voorkeur ook een plek waar ouders elkaar makkelijk kunnen ontmoeten. En dan bedoel ik alle soorten ouders. Een soort ankerplaats in de wijk.’
Schraven: ‘Als de verordening huisvesting zo herschreven wordt dat regulier en speciaal onderwijs samen moeten optrekken, dan zou dat helpen. Eigenlijk wil je dat iedere school zodanig is ingericht dat leerlingen uit het speciaal onderwijs ook mee kunnen komen en mee kunnen doen. Als je de minimale eisen vast kunt stellen waarmee een gebouw aan de eisen van - laten we zeggen - 99% van alle leerlingen voldoet, dan kun je spreken van ‘universal design’. In bouwverordeningen en Programma’s van Eisen zouden deze universele vereisten vastgelegd moeten worden. En ze zouden dan in ieder geval moeten gelden bij renovaties en nieuwe bouwprojecten. Je moet dit wel wettelijk regelen, anders blijven scholen zeggen dat ze daar geen geld voor hebben.’
Dekker: ‘Het moet uiteindelijk één wet worden, daar ben ik het wel mee eens. Maar het is geen voorwaarde. Als je kijkt naar de praktijk, dan zie je dat inclusief onderwijs nu ook al mogelijk is. Als je de professionals met de juiste mindset bij elkaar zet, dan kun je van start, ook al zijn er belemmeringen. Maar inderdaad, als we 2035 willen halen, laten we dan ook de wetgeving aanpassen, gericht op een onderwijssysteem waarin alle kinderen zich thuis kunnen voelen en waar niemand al op jonge leeftijd een etiket meekrijgt dat de rest van zijn schooltijd zal bepalen met wie hij wel of niet in aanraking komt.’
Wienen: ‘Ja, dat denk ik wel. De Wpo regelt wat nodig is om onderwijs te geven. Bij de Wec gaat het over allerlei uitzonderingen waarmee je te maken kunt krijgen in het speciaal onderwijs. Ik zou geneigd zijn om reguliere scholen dezelfde wettelijke mogelijkheden te geven als de scholen voor speciaal onderwijs. Dan ontstaat er meer ruimte voor leerkrachten. Dan is er meer tijd voor kinderen, kleinere groepen, mogen leerlingen wat langer doen over examens als dat nodig is, of de leerstof wat meer spreiden over de tijd. Vergeet niet, in het regulier onderwijs is ook veel te veel uitval. En juist daar kunnen leerlingen baat hebben bij mogelijkheden die nu in het speciaal onderwijs aanwezig zijn, maar in het regulier onderwijs niet.’
De Bont: ‘Inclusie zou gebaat zijn bij één minister van jeugd. Dat zou de integratie van onderwijs en jeugdzorg bevorderen, en dat is volgens mij een belangrijke voorwaarde voor inclusie. Als je op lokaal niveau jeugdzorg direct kunt inzetten in de pedagogische driehoek van school, ouders en leerling, dan kan dat meer resultaat opleveren dan nu het geval is. Wij hebben een aantal scholen in Tilburg waar jeugdzorg en onderwijs dicht bij elkaar zijn georganiseerd, en dat werkt heel goed. Bij De Bodde hebben wij ook zo’n samenwerking met een zorgverlener. Onder die samenwerking worden verschillende budgetten, waaronder ook het pgb, bij elkaar gevoegd. Daardoor kunnen we de zorg veel meer in samenhang organiseren. Als we dat overal doen in Nederland, met de ruim 6.000 zorgaanbieders, dan is daar veel meer kwaliteit en winst te behalen.’
Schraven: ‘Ik weet niet of dat voor nu realistisch of wenselijk is. Het is sowieso geen voorwaarde voor inclusief onderwijs. Ik denk wel dat het speciaal onderwijs zoveel mogelijk geïntegreerd moet worden in het regulier onderwijs en dat dat ook wettelijk geregeld moet worden. We kunnen op termijn misschien wel naar één wet groeien, maar laten we eerst de juiste praktische stappen zetten. Laten we zorgen dat de huisvesting en het toezichtkader geregeld worden, dat de cao’s op orde zijn etc. Om inclusief onderwijs te realiseren hoeven we zeker niet eerst de Wec af te schaffen.’
Teun Dekker is directeur-bestuurder bij SPCO en SPCKO Roosendaal. Onder deze stichtingen voor protestants-christelijk onderwijs en kinderopvang valt De Kroevendonk, een basisschool en kindcentrum met ruim 380 leerlingen. De school biedt inclusief onderwijs. Teun is ook bestuursvoorzitter van het platform Naar Inclusiever Onderwijs.

Bert Wienen is pedagoog, psycholoog, onderzoeker, auteur, spreker en ondernemer. Door middel van wetenschappelijke onderzoeken, boeken en verschillende initiatieven, bouwt Bert aan inclusief onderwijs en krachtige opvoeding, om zo zijn missie stapsgewijs verder te brengen: dat ieder kind mag zijn en kan worden zonder deze paradox op te heffen.

Gijs de Bont is voorzitter College van Bestuur bij Biezonderwijs, een organisatie voor speciaal onderwijs. Biezonderwijs telt 9 scholen voor leerlingen van 4 tot 20 jaar, elk met een uniek en speciaal karakter. Het onderwijs omvat speciaal basisonderwijs (SBO), speciaal onderwijs (SO), voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs (PRO).

Erik Schraven is strategisch adviseur Inclusief Onderwijs bij Kentalis. Dit is een landelijke instelling voor speciaal onderwijs, die onderwijs biedt aan zo’n 7.500 leerlingen en ambulante ondersteuning aan circa 4.500 leerlingen. Van de leerlingen heeft circa 80% een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en is circa 14% doof of slechthorend.

Dit artikel is opgenomen in ons magazine Gewoon speciaal, 2025.
Bekijk dit magazine