Menu

1 oktober 2020

Toekomst beroeps- en hoger onderwijs

Het beroeps- en hoger onderwijs (mbo, hbo en universiteit) stelt door de aard van de activiteiten specifieke eisen aan de kwaliteit en de kwantiteit van de huisvesting. Ruimtenormen verschillen sterk per studierichting of opleiding. De coronaperiode maakt deze verschillen mogelijk nog groter, een uitdaging om alle gebruikers een goede plek voor onderwijs en onderzoek te bieden. Wat kunnen we op de lange termijn verwachten en wat kunnen we leren van de jaren die achter ons liggen?

Verschil in ruimtegebruik

Waarom is aandacht voor ruimtegebruik in relatie tot verschillende opleidingen zo belangrijk?

Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk in te zoomen op drie aspecten:

  • Bekostiging van het beroeps- en hoger onderwijs.
  • Recente geschiedenis van het vastgoedbeleid sinds de overdracht van het vastgoed van het rijk naar de instellingen in de jaren 90.
  • Flexibilisering van het onderwijs


Bekostiging

De bekostiging van het beroeps- en hoger onderwijs is gebaseerd op studentenaantallen, op de opleiding of leerweg die zij volgen, op het niveau en op de afgegeven diploma’s. Die parameters kunnen flink fluctueren. Studenten (en achter hen vaak mede ook de ouders) maken keuzes op basis van hun interesses maar uiteraard ook vaak onder invloed van verwachtingen over hun toekomstperspectief en van economische ontwikkelingen. De coronapandemie brengt daar bovenop nog een schok teweeg.

Vervolgens kent de bekostiging ook nog een na-ijleffect: gelden worden toegekend op basis van studentenaantallen van de twee jaar ervoor. De werkelijke aantallen kunnen intussen gewijzigd zijn waardoor er een eerste mismatch dreigt.

De wijze waarop de instellingen deze inkomsten besteden bepalen zij zelf. Immers, deze bekostiging gaat uit van lumpsumfinanciering: het beroeps- en hoger onderwijs krijgt een totaalbedrag en bepaalt of deze gelden besteed worden aan het personeel, onderwijsprogramma’s, ICT, huisvesting, bijzondere faciliteiten etc.

Voor het inzicht in de bepalende factoren aan de uitgavenkant van het hoger onderwijs (hbo’s en universiteiten) heeft het CHEPS in 2018 de resultaten van een interessant onderzoek in opdracht van het Ministerie van OC&W gepubliceerd[1]. Dit onderzoek richt zich onder meer op zogenaamde kostendeterminanten: factoren die bepalend zijn voor de uitgaven van de instelling. De kosten voor het personeel zijn vanzelfsprekend de meest bepalende post. De onderwijsvorm (de werkvorm voor studenten zoals bijvoorbeeld projectgestuurd onderwijs, ICT-onderwijs, praktijkonderwijs e.d.) is minstens zo bepalend. En met die onderwijsvorm hangen de kosten voor de bijbehorende voorzieningen samen zoals het beslag op laboratoria, werkplaatsen en andere onderwijsruimten. Dit zijn eveneens belangrijke kostendeterminanten. Voor universiteiten geldt dit - waarschijnlijk door de aanwezigheid van relatief dure laboratoria - nog wat sterker dan voor hogescholen. Hoewel niet onderzocht in de CHEPS-studie kennen mbo-instellingen naar verwachting kostendeterminanten die vergelijkbaar zijn met het hbo.

Fluctuerende studentenaantallen per opleiding, leerweg of niveau betekenen een spanningsveld met de langetermijnlogica.

Beslissingen over het verwerven, afstoten, realiseren of renoveren van vastgoed hebben langjarige effecten. Ze kunnen de afstemming tussen inkomsten en uitgaven van de instelling flink beïnvloeden. De situatie wordt voor een instelling nog complexer wanneer die fluctuaties zich niet alleen voordoen op instellingsniveau maar ook jaarlijks tussen de opleidingen binnen een instelling variëren. En dat geldt zeker wanneer blijkt dat de studentenaantallen zich bewegen naar de extremen: praktijkgerichte opleidingen met een grote ruimtevraag per student terwijl de kwaliteit en de kwantiteit van de vierkante meters daar niet op aansluiten; of omgekeerd, een beweging naar theoretische opleidingen met een veel kleinere ruimtevraag waardoor kostbaar vastgoed overschiet. Zie daar de tweede mismatch.

Demografische ontwikkelingen spelen ook een rol. In het algemeen zien we in Nederland het aantal studenten teruglopen in de komende tien tot vijftien jaar. Op de universiteiten wordt deze trend nog gekeerd door de toegenomen internationalisering (althans, voor de uitbraak van de coronacrisis). In mindere mate geldt dit ook voor een aantal hogescholen. Voor het mbo verwacht de Algemene Rekenkamer echter dat er in 2032 70.000 studenten minder zullen zijn[2].

Een mismatch in ruimtegebruik kan op kleinere studentenaantallen (met dito inkomsten) tot flinke extra financiële risico’s leiden.

De Algemene Rekenkamer geeft aan dat een daling van studentaantallen van 5% al kan leiden tot serieuze vastgoedvraagstukken.

Blik op de recente geschiedenis

Als we langer in de tijd teruggaan zien we grotere verschillen in zowel opleidingen als de voorzieningen waarover zij beschikten. Zo bestond bijvoorbeeld het mbo als herkenbare sector vóór de jaren 90 niet. Veel opleidingen vond men in die tijd terug in zelfstandige, op een kleine beroepensector gerichte, scholen. Vaak bestonden ze in combinatie met een verwante opleiding op het niveau van wat nu het hbo is[3]. En ook het hbo was nog erg versnipperd. Onderlinge concurrentie was er nog nauwelijks. De kwaliteit en de kwantiteit van de voorzieningen werden lokaal bepaald. Pas in de jaren 90, mede onder invloed van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, fuseren scholen tot grote opleidingsinstituten. Er vindt vanaf dat moment vanzelfsprekend meer centrale sturing op de voorzieningen plaats. Ook concurrentie wordt een factor. Huisvesting en de aanverwante faciliteiten fungeren meer en meer als het visitekaartje van de instelling, mede bepalend voor de keuze van de student die tegelijkertijd ook steeds mobieler wordt.

Universiteiten bewogen zich ten opzichte van de hbo- en mbo-sector zelfstandig. De enige belangrijke wijziging die zich in dit verband in de jaren 80 voordeed, was de integratie van een aantal toenmalige ‘hogescholen’ met academisch onderwijs en onderzoek in het universitaire stelsel (denk bijvoorbeeld aan de TH’s die TU’s werden). In Duitsland kent men dit onderscheid nog tussen Fachhochschulen en universiteiten.

Deze duidelijker ‘segmentering’ van het beroeps- en hoger onderwijs, in mbo, hbo en universiteit, viel min of meer samen met de verzelfstandiging van de positie van de instellingen ten opzichte van het rijk. In de jaren 90 droeg het rijk de verantwoordelijkheid en het eigendom van het vastgoed, de terreinen (tegenwoordig veelal een ‘campus’) en aanverwante voorzieningen over aan de instellingen. Vanaf dat moment droegen de instellingen dus ook de risico’s van hun eigen vastgoedontwikkelingen. Meestal ging dit goed. De Algemene Rekenkamer constateerde in 2018, terugblikkend op 20 jaar vastgoedbeleid van universiteiten[4], dat de instellingen doorgaans het vastgoedmanagement op orde hebben. Tegelijkertijd constateert zij dat in een aantal gevallen een betere toepassing van nieuwe onderwijs- en huisvestingsconcepten mogelijk is en dat de langetermijnvastgoedstrategie hier en daar ontbreekt.

De Algemene Rekenkamer beveelt aan de informatie over het ruimtegebruik voor verschillende doeleinden te verbeteren en aandacht te hebben voor doelmatig omgaan met ruimte in relatie tot nieuwe onderwijs- en huisvestingsconcepten.

Inzicht in de onderliggende gegevens is cruciaal. 

In de mbo-sector zijn de vastgoedrisico’s nadrukkelijker zichtbaar geworden in de afgelopen tien jaar. In de periode 2012 - 2015 raakten het ROC Leiden en Amarantis in financiële problemen. Het huisvestingsbeleid speelde daarbij een belangrijke rol door een combinatie van risicovolle huisvestingsplannen, onvoldoende afgestemd op het beleid van de instellingen, en het ontbreken van voldoende expertise en inzicht in de gevolgen van keuzes op de langere termijn. Een mismatch tussen het onderwijs met de daaraan gekoppelde inkomstenstroom enerzijds en het vastgoedbeleid anderzijds deed de instellingen de das om. 

Flexibilisering van het onderwijs

Het derde aspect dat aandacht voor ruimtegebruik zo belangrijk maakt is de flexibilisering van het onderwijs. Maatschappelijke trends spelen een steeds grotere rol in het beroeps- en hoger onderwijs. Dat betekent dat opleidingen wendbaarder moeten zijn, adaptiever richting de wereld om hen heen. Het bedrijfsleven en het beroepsonderwijs werken steeds nauwer samen. Ook studenten vragen om meer wendbaarheid. Zij krijgen op sommige instellingen meer invloed op het curriculum dat zij volgen. Studenten zijn bezig met zelfontwikkeling en maken daardoor individuele keuzes. Welke vakken volgen zij op welk moment?

‘Flexibel en adaptief onderwijs stelt andere eisen aan met name praktijkruimten in combinatie met ruimten voor instructie en voorbereiding van practica.

Ook doen nieuwe doelgroepen hun intrede. Naast de internationale student zet ook de opkomst van de cursist in het kader van een ‘Leven Lang Ontwikkelen’ door. Hij of zij heeft al enkele stappen in de carrière achter de rug en keert terug naar de schoolbanken. Werk en studie worden gecombineerd en stellen andere eisen aan de huisvesting (tijdstop van gebruik, kwaliteit van de voorzieningen).

De coronacrisis zet de flexibilisering nog nadrukkelijker op de kaart. De online en offline campus raken meer met elkaar vervlochten.

‘Blended learning’ brengt een mix van verschillende werkvormen (zowel fysiek als online onderwijs) met zich mee.

En de nadruk van het fysieke contact komt enerzijds te liggen op practica en praktijkonderwijs en anderzijds op ontmoeting, op het sociale aspect van studeren. Huisvesting moet meebewegen. Wanneer het echter die flexibiliteit ontbeert, ontstaat er weer een van de mismatches die genoemd zijn in de paragraaf over bekostiging.

Kortom, de recente geschiedenis levert wijze lessen op en de blik op de nabije toekomst eveneens!

Het huidige ruimtegebruik

De instellingen kennen verschillen in ruimtegebruik, ook voor opleidingen of studierichtingen van vergelijkbare aard en inhoud. Voordat het coronavirus ook ons land bereikte heeft HEVO onderzoek gedaan naar het ruimtegebruik per student per opleiding binnen Nederlandse hogescholen en mbo-instellingen. Hieruit konden wij al aanzienlijke verschillen tussen de diverse studies afleiden. Niet gek natuurlijk, dat een student van een kunstacademie meer ruimte nodig heeft dan een ICT-student.

Onderstaand overzicht geeft een indruk van de spreiding van het ruimtegebruik per student voor achtereenvolgens de mbo-sector[5] en de hbo-sector.

Van universiteiten zijn (nog) geen benchmarkgegevens of eigen onderzoeksresultaten beschikbaar. 

Het jaar 2020, een ‘kantelpunt’?

Veel basis- en middelbare scholen hebben na de intelligente lockdown, waarin we ons vanaf maart dit jaar bevonden, het onderwijs weer op kunnen pakken voordat het schooljaar 2019/2020 tot een einde kwam. Het beroeps- en hoger onderwijs moest langer wachten, maar inmiddels is men ook daar weer voorzichtig uit de startblokken gekomen. Het uitgangspunt van de maatregelen blijft: we kunnen voorlopig niet om het coronavirus heen.

Hoewel opleidingen op dit moment zo goed en zo kwaad het kan weer ‘regulier’ onderwijs bieden, ziet dit er anders uit dan in het pre-corona tijdperk; termen als ‘blended learning’ en ‘hybride onderwijs’ zijn op veel informatiepagina’s te vinden. De introductieweken voor eerstejaars vinden online plaats, theoretische colleges worden veelal digitaal gegeven en studenten komen eigenlijk vooral voor toetsen en praktijkonderwijs naar de onderwijsinstelling toe. Reizen gaat het liefst met eigen vervoer om drukte in de trein, ondanks de aangepaste roosters, te vermijden. Met een doelgroep bestaande uit veelal 18-plussers gelden in dit onderwijssegment andere regels dan op basis- en middelbare scholen. Zo zullen studenten, in tegenstelling tot de jongere leerlingen in het nieuwe schooljaar, wanneer zij op locatie zijn, de anderhalve meter afstand moeten borgen. Dit zorgt ervoor dat de capaciteit in lesruimten van de huidige onderwijsgebouwen sterk verkleind wordt. Digitaal lesgeven blijft tijdens de ‘anderhalvemetersamenleving’ daardoor voor veel mbo’s en hogescholen noodzakelijk.

Voor alle nieuwe studenten is dit niet het begin van de studententijd waar ze op hoopten toen ze een jaar geleden met hun laatste jaar in het middelbaar onderwijs startten. Met goede hoop gaan we ervan uit dat de huidige situatie niet ‘het nieuwe normaal’ wordt en dat de anderhalvemetersamenleving een tijdelijke oplossing in een tijdelijke crisis is. Zijn alle aanpassingen daarmee tijdelijk? Waarschijnlijk niet.

Het digitale onderwijs heeft door alle maatregelen een gedwongen kickstart gekregen en in veel gevallen blijkt dat een werkbare vorm van kennisoverdracht.

Daartegenover staan echter ook opleidingen waarbij digitaal onderwijs, vanwege het hoge aandeel praktijklessen, juist helemaal niet wenselijk blijkt.

Wat brengt de toekomst?

Voor de toekomst op langere termijn gaan we ervan uit dat we in Nederland binnen afzienbare termijn kunnen beschikken over een vaccin en/of een effectieve behandeling tegen COVID-19. Dat betekent dat we dan geen rekening meer hoeven te houden met de beperkingen van de anderhalvemetersamenleving. Wel verwachten wij dat de coronaperiode ons ook goede dingen heeft gebracht die we meenemen naar de toekomst. Zo biedt in bepaalde situaties het onlineonderwijs ook voordelen, mits de techniek en de lesmethode daarop aansluiten: het is eenvoudiger grote groepen te bereiken, het reizen vermindert en kan beter verspreid worden over de dag waardoor de druk op het OV en de weginfrastructuur afneemt. Internationale studenten kunnen ook deels vanuit het buitenland onderwijs volgen.

De nadruk van het fysieke contact zal meer komen te liggen op praktijkonderwijs, ontmoeting en samenwerking.

Die trend had zich al ingezet maar zal nog nadrukkelijker vorm krijgen: het ontmoeten van medestudenten en (vak)docenten is eveneens een essentieel onderdeel van de ontwikkeling die studenten doormaken. De verhoudingen tussen les- en ontmoetingsruimten zullen, afhankelijk van de nieuwe, meer hybride vormen van onderwijs, gaan verschuiven. Met minder behoefte aan vierkante meters waar een docent kan ‘zenden’, komt er meer ruimte vrij voor ontmoeting, samenwerkingsvormen en praktijkonderwijs. Door beschikbare ruimte in te zetten voor de juiste activiteiten kan een waardevolle mix van online en offline ontstaan. 

Tot slot

De spreiding in ruimtegebruik is groot. En we zagen dat kleine mismatches tussen de behoefte van het onderwijs en het aanbod aan huisvesting al grote financiële gevolgen kunnen hebben. Voor een goede balans is inzicht in het ruimtegebruik per studierichting cruciaal: voor effectieve ondersteuning van het onderwijs (en onderzoek), voor een verantwoorde vastgoedexploitatie en niet in de laatste plaats voor een kwalitatief en financieel gezonde toekomst. Het loont de moeite om tijd en energie te steken in dit inzicht. Laat je niet verrassen door de dynamiek van de tijd die voor ons ligt!

Ook interessant

Het ruimtegebruik per student per opleiding binnen Nederlandse hogescholen en mbo-instellingen is onderzocht door HEVO

[1] Center for Higher Education Policy Studies, Bekostiging van het Nederlandse hoger onderwijs: kostendeterminanten en varianten, augustus 2018

[2] Algemene rekenkamer, MBO vastgoed, Signalen voor de betaalbaarheid, Den Haag 2019

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Middelbaar_beroepsonderwijs

[4] Algemene Rekenkamer, Vastgoed bij universiteiten, Twintig jaar na overdracht van eigendom, deel 2: Vastgoedmanagement en governance, Den Haag 2018

[5] Op basis van eigen onderzoek onder vijf mbo-instellingen in combinatie met de MBO Benchmark Facilitair 2018.

Michiel Otto

Ik nodig u uit om te reageren of inhoudelijk in te gaan op praktijkcases.

Neem contact op met Michiel Otto, telefoon 073 6 409 409

Deel deze pagina via